Niet met de Klokken

De zesdes zijn thuis. Enfin, dat mogen wij veronderstellen. Er is weliswaar nog geen officieel bericht ontvangen, maar wij gaan ervan uit dat niemand in Italië is achtergebleven om de terugreis pas aan te vatten al meeliftend met de klokken van Rome. En afgaand op de stapel foto’s die op onze Facebookpagina (zie rechts) terechtgekomen zijn: het is goed geweest. Ter overduidelijke illustratie: Famke straalt op de Verona-groepsfoto met haar t-shirt een volmondig ‘HAPPY’ uit. Die extra thumbs up zijn er misschien nèt een beetje over, het blijft tenslotte een schoolreis. Alleen collega’s Willockx en Van der Taelen kijken er (in tegenstelling tot hun Venetiaanse retro-selfie) nog lichtjes bedenkelijk of in elk geval op hun hoede. Niet ten onrechte: zo de eerste keer vanonder de beschermende vleugels van collega De Grove, het doet begrijpelijkerwijze wat met een mens. Misschien heeft het ook wat te maken met het besef dat er hier en daar nog wel wat werk aan de winkel is: ondanks het feit dat Verona om allerlei redenen niet de minst bekende etappeplaats van de reis is, heeft Amélie haar atlas blijkbaar op een foute pagina opengeslagen. Nee meiske, Brooklyn Bridge, dat is écht wel ergens anders.

Enfin, terug zijn ze. Nu nog even wat schoolwerk om de rest van de vakantie door te komen, en dan weer hóp naar de volgende verre bestemmingen: de Gavers, de Westhoek, de Hollanders … of nee … die laatste twee, dat is voor hun opvolgers van het vijfde jaar. Toch nog even les dus.

‘Awai’

Een doordeweekse dag kon je het niet noemen, deze vrijdag 28 maart. De voormiddag, ‘ça va nog’ om een idioom te gebruiken dat je steeds vaker hoort. Maar vanaf pakweg 12.30u: de ‘derdes’ en de ‘vierdes’ met studieverlof, de ‘zesdes’ op 100-dagenuitstap, 5 economie op prospectie naar een lokale bank, 5 humane naar het Guislainmuseum, 5 wetenschappen ecologie gaan opsnuiven in Hof ter Vrijlegem. “En 5 Latijn?” hoor ik u terecht vragen. Tja, die kapoentjes van 5 Latijn hé … altijd averechts willen doen: les volgen! Je gelooft je oren niet … les volgen, op een doodgewone schooldag dan nog! Nee … ik overdrijf … alleen Latijn-wiskunde had nog les, de andere Latijn-versies hadden studie-uurtjes wegens het ontbreken van de leerkracht (Antwerpse schepenen zouden het woord ‘snipperdag’ wel eens in de mond durven nemen, maar ook hier zou dat redelijk misplaatst zijn). Daar hadden zij over de middag dan wel de nodige energie voor opgedaan: samen met het handvol van hun collega’s dat nog net niet op uitstap vertrokken was, hadden zij zich op een berg pizza’s gestort die voor de gelegenheid door een lokale pizzaboer was aangezeuld. Vooral de gloednieuwe variant ‘pizza awai ’ was lekker zij het niet helemaal op temperatuur.  Gelukkig was Obama net het land uit: een dergelijke verkrachting van zijn geliefde Hawaii zou ons zeker het statuut van trouwe bondgenoot gekost hebben.

Les dus, het motto ‘less is more’ indachtig. En dan nog niet eens zomaar les maar, noblesse oblige, wiskundeles. En willen de dames na hun eerste uurtje wiskundeles nog een ongeplande extra wiskundeles in wat eigenlijk een studie-uurtje hoorde te zijn? Heel de klas in koor: “yes, we will!!”. En dus: dubbele wiskundeles, terwijl de confraters zich wentelen in een orgie van buitenschoolse activiteiten. Je moet het ze aangeven, die Latijn-wiskunders: het is toch een beetje een ras apart (and I like it).

Blokken

De examens komen eraan voor de tweede graad, en met nog een paasvakantie te gaan en daarna vooral veel lesloze dagen kan eigenlijk hetzelfde gezegd worden van de derde graad. Tijd dus om de leerlingen aldaar nog eens op het hart te drukken hoe je het studeerwerk optimaal moet aanpakken. Of in het meer populaire jargon: hoe je moet Blokken. En wie is daar beter voor geplaatst dan wereldster-in-Vlaanderen Ben Crabbé, moet de redenering geweest zijn van collega De Groote, ondertussen leken-ouderdomsdeken van de school (dat hoort hij wellicht niet graag, maar ter compensatie: je zou het hem niet aangeven). Bijgevolg troonde hij zijn complete suite van LM-leerlingen mee naar de VRT-studio’s. Het zijn de enigen die het vak ‘media’ gegund is, en alleen zij worden geacht een tête-à-tête met Ben ten volle te kunnen smaken. Om het belang van de expeditie te onderstrepen, werd zelfs voor de directie een plaatsje voorbehouden in de delegatie.

Kwatongen die het didactisch karakter van de onderneming willen in twijfel trekken, mogelijk als surrogaat voor hun niet-selectie in het begeleidingsteam, wil ik meteen de mond snoeren. Waar bij deelname aan programma’s als Scheire en andere Ideale Werelden de zogezegd wetenschappelijke of actuele inhoud als smoes gebruikt wordt om toch maar eens ‘op TV’ te komen, is dat bij Blokken geenszins het geval. Het al jarenlang wezenlijke kenmerk van het live publiek aldaar is dat het compleet niet in beeld komt. In het beste geval is de aanwezigheid ervan auditief merkbaar, maar zelfs dat kan net zo goed een digitale remix zijn van een ondertussen gigantisch archief aan flarden applaus, gegiechel , lach en stilte. Als je het publiek van Blokken één ding niet kunt aanwrijven, is het enige vorm van mediageilheid. Nee, wie Blokken bijwoont dat is een connaisseur. Die komt om lering te trekken uit de fenomenale kennis van de presentator, in het slechtste geval om te genieten. Van de technische perfectie, de gemoedelijke sfeer, de spitse humor, de talloze fijne woordspelingen en woordspelletjes. Dat maakte er voor collega De Groote meteen een vakoverstijgende excursie van: media én taal. Sommige andere collega’s hebben daar weken van vergaderingen, commissies en rapporteringen voor nodig. Hier is het bewijs dat het met de ervaring die eigen is aan de leeftijd ook eenvoudiger kan.

Over oninteressante dingen

Een beetje een kwakkelweek  deze week. Weinig of geen in het oog of uit de band springende gebeurtenissen, of wij moeten het al buiten de school gaan zoeken bij Wilders, de Krim of vlucht MH370. In zo’n geval moeten wij elke strohalm aan- of vastgrijpen om een blogbericht te vullen, al was het maar, voor één keer, met een wist-je-datje.

MH370 dus, of in elke geval: laten wij dat als vertrekpunt gebruiken (het eindpunt is op het ogenblik van dit schrijven immers duizenden kilometers onzeker). Een nummer in een lijst, dat vanuit een complete anonimiteit plots een begrip wordt. Dat doet mij aan een stukje wetenschapsgeschiedenis denken. Het gebeurt wel eens dat mijn klas(je) van 5LW mij verleidt tot het lichtjes uitweiden over een of ander sterrenkundig begrip (of misschien probeer ik hèn wel te verleiden tot het tonen van enige interesse voor die moeder aller wetenschappen). Dat was deze week niet anders, en dan valt uit het schijnbare niets het begrip ‘de Orionnevel’. Daar had ik beter ‘M42’ kunnen voor gebruiken. Het had mij de kans geboden om iets meer te vertellen over de nu zeer geprezen Charles Messier (1730-1817). Ik maak het hierbij graag goed.

Sterrenkundige kun je Messier bezwaarlijk noemen, want hij had geen enkele formele opleiding in dat vakgebied (noch in enig ander). Maar door interesse en veel geluk kwam hij als waarnemer in dienst van sterrenkundige Joseph Delisle. Messier werd snel geobsedeerd door de zoektocht naar kometen. Hij zou er uiteindelijk 20 nieuwe ontdekken. Maar dat identificeren van kometen bezorgde hem wel wat hoofdbrekens. Door zijn kleine telescopen zagen die dingen er niet beter uit dan wat wazige vlekjes, met als enig hartverwarmend kenmerk het feit dat zij nacht na nacht een lichtjes andere positie innamen tussen de sterren. Het gebeurde bijgevolg menigmaal dat Messier na uren verkleumd turen door zijn telescoop zo’n nieuw vlekje vond, alleen maar om ’s anderendaags te constateren dat het vlekje nog steeds op identiek dezelfde plaats stond en bijgevolg geen komeet was. Met m-woord zal dus niet uit de lucht geweest zijn in zijn observatorium bij het Hôtel de Cluny. Zou het dan geen goed idee zijn om een lijstje te maken van die totaal oninteressante nébulositées? Ja dus, vindt Messier, en hij start zijn eigen catalogue met nummer 1, toevallig ergens in het sterrenbeeld Stier. Het nevelvlekje M1 dus waaraan-wij-in-het-vervolg-geen-aandacht-meer-gaan-besteden. De lijst eindigt 15 jaar later met M107. Honderdenzeven objecten om over het hoofd te zien dus.

Ondertussen zijn wij meer dan tweehonderd jaar verder. En krijgen sterrenkundige objecten vreselijke namen als ULAS J1120+0341 of  OGLE-2012-BLG-0026L. Maar als wij het hebben over de resten van een ster die ergens in 1054 ontplofte, zal niemand het ook maar wagen een andere aanduiding te gebruiken dan M1. En het stervormend nevelgebied in sterrenbeeld Orion heeft tientallen namen, maar de éne die elke sterrenkundige uit het hoofd kent is M42. Merci, Messier, voor zoveel oninteressante dingen.

Englert en zo

U verwacht van mij in deze rubriek een lichtjes tegendraadse of in elk geval niet steeds even ernstige kijk op wat men ‘het schoolgebeuren’ noemt? Daar hebt u volkomen gelijk in en ik probeer u op uw wenken te bedienen, wekelijks of in elk geval in een tempo dat daar kan voor doorgaan. Maar in deze Vastentijd is het een goede katholieke traditie om als vorm van boetedoening wat van de gebaande paden af te wijken en iets voor te schotelen dat anders niet op tafel komt, maar eigenlijk even lekker is. Dus deze keer geen loltrapperij met Scheire en zijn Schepping, maar enige ernst met Craps en Englert.

Het was inderdaad een heel genoegen dat wij onze leerlingen (toegegeven, alleen derdegraads en dan nog van wetenschappelijken huize … iets wat sommige collega’s een ‘selecte’ groep zouden noemen) een lezing konden voorschotelen over het Nobelprijswinnende Englert-Higgsdeeltje. Door Ben Craps, theoretisch fysicus, professor en vooral oud-leerling. De (wat) oude(re) collega’s herinneren zich Ben onder andere nog van een simultaanschaakwedstrijd die hij zo goed als op één been won van een schare leerlingen en leerkrachten. En van een finale wiskunde-olympiade. Dat wij hem tijdens een Londenreis (waar hij trouwens niet bij was) ooit  ‘onze  Big Ben’ noemden: het zegt wat over zijn reputatie op school. Dat hij uiteindelijk koos voor een carrière aan de zondige VUB, het weze hem in deze tijd voor Pasen vergeven en de cursus kosmologie die hij ook aan de KUL geeft is voor ons als penitentie meer dan voldoende.

Collega Van der Taelen had het fysicalokaal voor één keer opgedirkt alsof de uitreiking van de Nobelprijs dààr zou doorgaan, met aangepaste drankjes en tutti quanti (die jammer genoeg niet eetbaar waren). En de leerlingen gedroegen zich navenant. Met een bijna sacrale aandacht volgden zij de rustige en heldere uiteenzetting van Ben Craps. Over golven en velden, over quarks en andere elementaire deeltjes, over donkere materie en even duistere energie. En uiteraard over dat efemere Englert-Higgs-’boson’ en hoe je je zoiets in ‘s hemelsnaam (of anders) moet voorstellen. Met hier en daar een verhelderend Feynmandiagram maar (tot opluchting van velen) zonder een vloedgolf aan wiskundige formules. Met de nodige aandacht voor hoe wetenschap voorspelt maar ook bijstuurt op basis van experimenten. Met een inkijkje op de manier waarop wetenschappers te werk gaan. En met een overstapje van de microkosmos van de kwantumfysica naar de macrokosmos van, nu ja … de kosmos. Het was een boeiend uurtje alternatieve fysicales, en het procédé is zeker voor herhaling vatbaar: ook in andere sectoren hebben wij nog heel wat oud-leerlingen in de aanbieding.

Die Schöpfung

Het diensthoofd van ons departement wetenschappen had er zowat de hele krokusvakantie klamme handjes, rusteloze nachten en een lichte opwelling van ADHD door gehad, maar vorige dinsdagavond was het eindelijk zover: in Vilvoorde zat men op ons te wachten om de opnames van ‘Scheire en de Schepping’ de nodige kleur te geven. Even nog probeerde een verstrooide trucker roet in het eten te gooien door zijn lading grind dwars over de Brusselse ring te parkeren, maar kort crisisoverleg tussen de begeleidende leerkrachten leidde snel tot een alternatieve route om de monsterfile de loef af te steken. De chauffeur met het grootste aantal kilometers op de teller kreeg de eer het konvooi op sleeptouw te nemen, wat bijna perfect lukte. Drie kwartier rijden en wat wachten op collega Willockx later, stonden wij voor de poort van de studio’s van ‘4’. Persoonlijk hadden wij om puur wiskundige redenen het meer fundamentele cijfer ‘één’ geprefereerd, maar zolang het over cijfers of getallen gaat hoor je ons niet klagen.

Lang wachten op supersympa troetelbeer Lieven Scheire was het niet. Als was hij een gewone sterveling flaneerde hij schijnbaar zorgeloos tussen het intussen behoorlijk ruim toegestroomde publiek, en liet zich her en der gewillig en belangeloos op de gevoelige plaat vastleggen in het gezelschap telkens andere lokale schoonheden. Op de begeleidende foto ziet u hem in een vergeefse poging om zich collega Van der Taelen van het lijf te houden, net voor zij om puur wetenschappelijke redenen een katzwijm fakete.

Maar u begrijpt dat er -zeker in de context van een commerciële zender- ook wat minder euforische kantjes aan het verhaal zaten. Dat begon al bij het ‘vullen’ van de studio met het publiek. Ons waren zitje toegewezen achter het panel, dus mooi in beeld van de camera’s en goed voor een pak gratis airplay. Dat leek aanvankelijk vlot te verlopen. De oudste twee begeleidende leerkrachten, nog opgevoed in een tijd dat beleefdheid een deugd was, lieten galant alle andere Walfergemmers voorgaan op weg naar de schijnbaar nonchalant opgestelde krukjes. En kregen daarna van de dienstdoende plaatsverdeler prompt te horen dat die eersteklas-plaatsen nu echt àllemaal bezet waren. Zelf mochten zij daarom plaatsnemen op de stoelen het verst verwijderd van de camera. De mededeling dat je van daaruit alles beter kon zien, leek niet helemaal gemeend. Nu goed, een mens moet zijn leeftijd en zijn lijf kennen en dit was nu eenmaal televisie en geen radio. Daar valt mee te leven. Echt genant werd het pas even later. Publieksopwarmer en lapzwans eerste klas Sven De Leijer papte wat gemakkelijk aan met twee troela’s waarvan het decolleté duidelijk bemeten was op de warmte van de vele studiolampen, en ging daardoor straal voorbij aan onze eigen collega Van der Taelen die zich aanvankelijk minsten even strategisch opgesteld had en gezien haar zichtbaar hogere wetenschappelijke status in de context van dit programma een véél betere partij zou geweest zijn. Maar goed, zei ik het al niet, een mens moet zijn lijf kennen. Daar moet je mee kunnen leven of anders een programma op Canvas gaan opzoeken.

Over het programma op zich kunnen wij uiteraard niks kwijt: dat zou de commerciële belangen van de zender schaden, en u kunt bovendien volgende week zelf kijken wat het geworden is. Maar panelleden Leue, Weyns, Deprez en Rijckaert waren alvast goed op dreef. Net zoals ‘de Scheire’ himself trouwens. Van de schepper van zijn Schepping verwacht je uiteraard ook niet minder. En de scenarist had duidelijk naar de verzuchtingen van ons begeleidingsteam geluisterd: wat chemie, wat biologie en wat wiskunde aardig verstopt tussen veel luim. Dat het biologie-experiment redelijk in het honderd liep door een kakkerlak en twee exotisch dure sluipwespen die het scenario niet goed genoeg hadden gelezen … het kwam de charme van het programma eigenlijk alleen maar ten goede. En zelfs het torenhoog nerdgehalte van überwiskundige Paul Erdös kon het publiek alleen maar bekoren. Ik begin verdorie mijn eigen Erdös-getal 4 (toegegeven, niet officieel en niet peer-reviewed maar toch in co-auteurschap verworven) van langsom meer te koesteren.

Het was in elk geval een mooie opwarmer voor onze volgende wetenschapsactiviteit: de voordracht van professor en vooral oud-leerling Ben Craps over deeltjesfysica en consoorten. Dàt wordt niet om te lachen … en dat is duidelijk ook de bedoeling.

zie ook hier voor wat extra foto’s

Een delicate kwestie

Er was vorige week even tijd noch ruimte voor onze juridische rubriek, maar in tegenstelling tot wat algemeen verkondigd wordt, is uitstel niet steeds afstel. Het gaat hier dan ook om een zaak van geen gering belang. Enige tijd geleden werden leerlingen Erica M.-L. uit H.W. en Kaat G. uit L.Z. beschuldigd van vergrijpen dusdanig ernstig, dat wij ze hier niet voluit kunnen noemen. Deze beschuldigden werden geuit door genaamden Inge C. en Stien D. T., beiden eveneens afkomstig uit H.W. Hoewel de meeste ingewijden van oordeel waren dat de beschuldigingen kant noch wal raakten, werd de zaak op de rol geplaatst van de Mechelse rechtbank en de pleidooien werden gehouden op 20 februari.

Na ampel beraad had de schooldirectie, daarin bijgestaan door collega Massie, overtuigd van de onschuld van de leerlingen en van de volkomen ongegrondheid van de beschuldigingen, beslist de verdediging in handen te geven van de ervaren pleiters mr. Gill Rydant en mr. Ina Van Brandt van het advocatenbureau HuWe6. Dat mrs. Rydant en Van Brandt de beklaagden persoonlijk kenden uit een gemeenschappelijk academisch verleden, speelde in deze beslissing uiteraard een niet geringe rol. Deze talentvolle pleiters hadden echter een kwaaie klant aan de advocaten van de burgerlijke partij. Van mr. Nand Maes is geweten dat hij het showelement niet schuwt in zijn pleidooien, en hij werd daarin met zwier bijgestaan door de bekende mr. Bérénice Gimenez Garcia die in het kader van een parlementair debat rond familienamen door haar Mexicaans kantoor toevallig naar ons land afgevaardigd was.

Omwille van de delicate aard van de zaak werd gekozen voor een team van niet minder dan vier rechters. De edelachtbaren Pieters en Fieremans, dienstdoend rechters bij deze kamer en alom geacht voor hun doorgaans rechtvaardig en weloverwogen oordeel, werden voor de gelegenheid bijgestaan door de edelachtbaren Ceuppens en Marmitte. Het moet gezegd dat het Openbaar Ministerie, met mrs. Van Mulders en Geraerts, bijgestaan door mrs. Verhoeven en Verleyen, niets onverlet liet om de beschuldigden het vuur aan de schenen te leggen. Om een voor het talrijk opgekomen publiek redelijk onverklaarbare reden, kozen zij in hun rekwisitoor resoluut de kant van de van de burgerlijke partij en zijn advocaten Maes en Gimenez Garcia. Het kwam bijgevolg niet helemaal als een verrassing dat rechter Pieters een relatief zwaar verdict velde.

Na afloop van het proces was nog niet duidelijk of Erica M.-L. en Kaat G. tegen de uitspraak beroep zouden aantekenen, maar hun advocaten lieten alvast uitschijnen dat zij het wat hen betreft hier niet zouden bij laten.

De Derde Plaag

Het gebeurde niet zo heel lang geleden, in het vredige land van Märt. De inwoners, een vrolijk mengelmoes van jong en ouder, ontbrak het aan weinig, zoniet aan helemaal niets. Materieel, intellectueel en emotioneel stonden zij werkelijk aan de top van hun kunnen. Overmoedig geworden besloten zij dat het tijd werd voor de Grote Verandering. Eén van hun tempels, gewijd aan Hòt, overbodig geacht na verloop van vele jaren, werd afgestoten en met de grond gelijk gemaakt. Hierover raakte Hòt zeer ontstemd, en hij besloot de Märtelingen te straffen voor zoveel gebrek aan eerbied.

Op een dag, het was midden in wat nooit een winter zou worden, ontwaakten de bewoners en ontdekten tot hun verbijstering dat zij allemaal doof en stom en blind waren. In elk geval in hun omgang met de volkeren van buiten hun grenzen. In de loop der jaren hadden zij allerlei vreemde toestellen vergaard waarmee zij over verre afstanden konden horen en spreken en kijken. Van de ene nacht op de andere dag was dit allemaal waardeloos geworden. In paniek wendden zij zich tot hun profeet Lùd, die hen evenwel niet kon of in zijn gestrengheid niet wilde helpen. Bijna radeloos zochten zij verlichting van hun lijden bij hun tweede grote profeet, Edù. Deze raadpleegde de oude boeken van de wijze Belcòm, en geholpen door geüniformeerde huurlingen van Èlders slaagde hij erin de doorgesneden draad met de buitenwereld te herstellen. Het onheil had drie dagen geduurd, en het was de eerste plaag.

Maar nog was de toorn van Hòt niet voorbij. De bewoners van Märt hadden vele, vele jaren geleden, mogelijk al meer dan honderd, een ondergronds netwerk van tunnels, kokers en buizen aangelegd waarmee zij al hun afvalstoffen naar een comfortabel verwijderde plaats konden versluizen. Wellicht naar het goede voorbeeld van hun Romeinse en Latijnse kennissen en dier cloaca. Op een dag riep Hòt de vreselijke Démutèr bij zich en stuurde hem uit met de opdracht “Snijdt deze stinkende aders door, zodat een afschuwelijke walm het hele land van Märt vult. Zo zullen zij eindelijk ten volle de ernst inzien van hun daden, ook al kunnen deze niet meer ongedaan gemaakt worden.” Démutèr deed wat hem opgedragen was. Maar nog was het onheil pas geschied, of de profeet Edù ontdekte op één van zijn wandelingen wat er op til was. Samen met zijn leerlinge Grët spoedde hij zich door alle hoeken en kanten van het land, en zij drukten alle bewoners deze boodschap op het hart: vandaag geen boodschap.  Het was geen geringe opdracht, maar Edù slaagde erin Démutèr ter vermurwen om zijn wandaad te herstellen. Drie dagen lang werden de boodschappen binnenskamers gehouden, en drukte de last zwaar op de Märtelingen. Het was de tweede plaag.

Nog een derde keer wilde Hòt zijn oude volgelingen op de proef stellen. Daarna pas zou zijn woede tanen. Anderen hadden ooit de wateren gescheiden om de volgelingen ongehinderd doorgang te verlenen, maar dit was niet wat Hòt zich had voorgenomen: deze keer zouden de wateren ongehinderd doorgang krijgen. Op een dag voelden de Märtelingen dat een vreemde kilte zich van hen meester maakte: hun hart, hun ziel, hun lijf … het leek alsof alle warmte er langzaam uit wegvliedde. Gealarmeerd door hun jammerklachten ging profeet Edù op zoek naar de oorzaak van dit nieuwe onheil. Niet lang duurde het vooraleer hij de bron  ontdekte: een ware zondvloed in de catacomben van het land van Märt had alle warmtebronnen overspoeld en deze finaal naar de Bijbelse Filistijnen gevoerd. Kniediep wadend doorheen het water probeerde Edù te redden wat nog te redden viel. Helaas … niets. Ook deze keer liet Hòt de Märtelingen drie dagen in de kou. In al zijn goedheid besloot hij dat zij dan genoeg geleden hadden, en stond hij toe dat Edù, langzaam en met de hulp van een inwoner van Vèr, de warmte mocht laten terugkeren in Märt en zijn bewoners. Dit was de derde en laatste plaag.

De Märtelingen, gelouterd door al deze gebeurtenissen, dankten hun profeet Edù en richtten ter ere van Hòt een groot feestmaal in. Het duurde twee dagen, en er namen honderden inwoners aan deel.